Leven en werken in het ritme van de seizoenen - Winter: 05/01 t/m 04/02

De volgende in de cyclus van de seizoenen, de periode van vijf januari tot en met vier februari. Volgens Jaap Voigt, auteur van het prachtige en voor mijn dagelijks leven leidende werk ‘Leven en werken in het ritme van de seizoenen’, is dit de tijd van de winterslaap. Het is de tijd waarin de energie wordt opgebouwd zodat het leven als vanzelf kan terugkeren. De periode waarin iets uit het niets geboren kan worden, waarin het allerprilste begin van leven begint terug te keren. Het is leven dat nog niet in beweging is gekomen en dat zeker nog geen vorm heeft aangenomen. Tegen eind januari zou de kernvraag moeten zijn: wat wenst er door mij heen geboren te worden?  

Als ik nu antwoord zou moeten geven op die vraag (wat dus eigenlijk niet de bedoeling is, omdat het nog geen eind januari is, maar vooruit), dan kom ik op de volgende flarden uit. Ik wil nog meer kijken hoe ik vrijheid een plek kan geven in mijn persoonlijke en professionele leven. Zou de magische werking van (Young) CALL meer met de wereld willen delen. Ga nog meer ruimte maken voor het begeleiden van groepen, in de vorm van het geven van trainingen, trainingen in persoonlijk leiderschap, persoonlijke groei. En tot slot meer doen met de inspiratie die me is toegevallen op het gebied van schrijven. Hoe precies, dat is van later zorg. Want winter. Voor nu is het voldoende te kijken naar wat er wenst geboren te worden.

Dat niet-weten, dat is voor ons een groot taboe en bijna niet uit te houden. De drang om het in te vullen zodat je het wel weet, is zeer sterk. De kunst is de weg te gaan van weten naar niet-weten. Dat is voor ons een oefening in het uithouden van de spanning die het niet-weten oproept. Maar het is de enige wijze waarop het autonome proces de ruimte krijgt. ‘Als, wanneer we een berg beklimmen in de richting van een ster, de reiziger te geobsedeerd is met het probleem van klimmen, dan loopt hij het risico dat hij vergeet welke ster hem leidt’ (Antoine de Saint-Exupéry in zijn kleine prins).

Het is zoals bij creativiteit: vaak komen de beste ideeën in je op, juist op een moment dat je helemaal niet met je vragen of problemen bezig bent. Ene Einstein zei ooit: ‘we cannot solve our problems with the same thinking we used when we created them.’ Als ik ergens mee worstel, is buiten mijn haven. Vaak ga ik dan een rondje hardlopen, of al dan niet meditatief wandelen. En regelmatig heb ik dan van die momenten dat er ineens als uit het niets iets tot me valt waarvan ik me later realiseer dat het weleens de oplossing kon zijn voor hetgeen ik op aan het kauwen was.

6c17cbbd 587d 4efe 8366 a5f494524d33

Ik snap dat bovenstaande voor veel mensen veel te weinig concreet is. Om deze mensen enigszins tegemoet te komen, het volgende praktische advies. Neem in het eerste of tweede weekend van januari even de tijd voor wat aantekeningen: wat heb je in deze lege periode beleefd? Kijk terug, maak de balans op, permitteer je geen oordeel. Neem gewoon waar wat er gebeurde, wat je deed, wat je niet deed, wat je beleefde. Leg je verkeerde gewoontes zo goed mogelijk af en versterk je goede gewoontes. Leg je toe op rust en slaap veel. Weet in contacten met anderen wat jij nodig hebt, zorg goed voor jezelf. Daar heeft ook de ander vaak direct plezier van. En jij blijft in al je openheid toch helemaal op eigen benen staan. Let er in deze tijd ook op dat je niet meteen meegaat met de eerste de beste verleiding. Het gaat over een ontvankelijkheid die afgebakend is: vermeng je niet met anderen. Sta wel open, maar baken je af: ken je grenzen, blijf gecenterd. 

En voor de mensen die niet kunnen wachten op het einde van de winter, of de start van de lente, houd moed. De energetische lente staat voor de deur, en zal onderwerp zijn van het volgende stuk over leven en werken in het ritme van de seizoenen. Daarover ter afsluiting een mooi verhaal uit het prentenboek van Leo Lionni, over Frederick de Muis:

Rondom de weide waar de koeien graasden en de paarden draafden, stond een muur van oude, oude stenen. En in die muur, vlakbij de schuur met de graanzolder, woonden de veldmuizen, een babbelziek gezinnetje. Maar de boeren waren er weggetrokken, de schuur lag verlaten en de graanzolder was leeg. De winter stond voor de deur, en de kleine muizen begonnen koren te verzamelen en noten en tarwe en stro. Allemaal werkten ze dag en nacht. Allemaal - behalve Frederick.

‘Waarom werk jij niet, Frederick?' vroegen ze. ‘Ik werk toch', zei Frederick. ‘Ik verzamel zonnestralen voor de koude, donkere wintertijd.' En toen ze zagen hoe Federick daar maar zat en naar de weide tuurde, vroegen ze: ‘En nu dan, Frederick?' ‘Nu verzamel ik kleuren', zei Frederick kalm. ‘Want in de winter is alles grauw.' En één keer leek het zelfs of Frederick bijna sliep. ‘Droom je soms, Frederick?' vroegen ze verwijtend. Maar Frederick zei: ‘O nee. Ik verzamel woorden. Want de winter heeft vele en lange dagen, en dan weten wij niets meer te zeggen misschien.'

Toen kwam de winter en de eerste sneeuw, en de vijf kleine veldmuizen zochten hun schuilplaats op tussen de stenen van de oude muur. In de eerste tijd was er eten genoeg. De muizen vertelden elkaar van domme vossen en malle katers en ze waren erg gelukkig samen. Maar beetje bij beetje hadden ze haast alle noten en bessen opgeknabbeld, er was geen stro meer, en hoe koren er eigenlijk uitzag, dat waren ze bijna vergeten. Ze hadden het koud tussen de stenen, en babbelen deden ze geen van allen meer.

Toen dachten ze opeens weer aan Frederick, en wat hij gezegd had over zonnestralen en kleuren en woorden. ‘Hoe staat het met jouw voorraad, Frederick?' vroegen ze. ‘Doe je ogen maar dicht', zei Frederick, en hij klauterde op een grote steen. ‘Nu stuur ik jullie mijn zonnestralen. Voel je hun warmte, hun gouden gloed...' En terwijl Frederick sprak van zon en zomer, werden de vier kleine muizen al warmer en warmer. ‘En de kleuren, Frederick, de kleuren?' vroegen ze ongeduldig. ‘Doe je ogen maar weer dicht', zei Frederick. En hij vertelde over de blauwe korenbloem, de rode klaprozen in het gele graan en het groene blad van de bessenstruik. Toen zagen ze al die kleuren weer voor zich, zo duidelijk alsof hun eigen gedachten ermee opgeschilderd waren. ‘En de woorden, Frederick?' Frederick schraapte zijn keeltje, wachtte even en toen, alsof hij op een toneel stond, begon hij: ‘De winter is zo lang en koud. En muizen zijn maar klein. Het valt niet mee, o nee, o nee, om nu een muis te zijn. Maar we zijn met ons vijven, in een holletje van steen; dat maakt een heel verschil, want zo is geen van ons alleen. Wij dromen van de zonneschijn, van graan en beukennootjes; daar krijg je warme oortjes van, en warme muizenpootjes. Nog eventjes, nog eventjes, de lente komt eraan! Dan wordt het weer een leventje van zonneschijn en graan!' Toen het uit was, begonnen ze allemaal te klappen. ‘Frederick', riepen ze, ‘je bent een dichter!' En Frederick bloosde, en boog, en zei verlegen: ‘Ik weet het...’

Afdrukken E-mail

Reacties (0)

There are no comments posted here yet

Laat je reactie achter

  1. Posting comment as a guest.
Bijlages (0 / 3)
Share Your Location

Joris GroenendijkJoris Groenendijk

Bezoekadres:

Provincialeweg 24
3981 AP Bunnik

joris@ruimtevoormeer.nl
06-12 60 18 19

nieuwsbriefOp de hoogte blijven?

Schrijf je hier in voor de Hersenspinsels van Ruimte voor Meer!

Naam *
Voer naam in
E-mail *
Voer e-mailadres in.